VERDORDE LIPPEN DIE HET LIEFST HUN GESLACHT IN MIJ WILLEN PORREN
De heimwee naar mijn veels te verre liefje is soms zo erg dat mijn lippen dreigen met verdorren , zich als knisperend knappend rood herfstblad op de grond werpen en meedogenloos zonder echo worden meegenomen onder de zolen van argeloze voorbijgangers .
Als ik onwennig de guurte van de herfst opsnuif, weer voor het eerst in een winterjas , op het station sta , de standbeelden van de wachtende mens aanschouw, irritante mobiele privé gesprekken aanhoor , ik wat verloren de rails aftuur, hoop ik dat je aan komt lopen.
Ik wil jou zien daar aan het eind van de rails.
Eerst als stip in de verre verte die telkens groter wordt , tot ik de contouren van je lichaam herken en zonder twijfel mezelf op de rails zal storten , je tegemoet ren.
Je zwaait en zijn je armen gespreid om me op te vangen.
Maar ik zie geen stip, geen gezwaai of vangende armen.
Het ritme van de rails en haar keurig recht gespannen draden zwijgen als het graf.
Ik maak wat foto’s van composities in gescheurde stoeptegels en dikke knokigge verbindingen van bouten en moeren die moedig al het ijzer bijelkaar en omhoog houden. Zelfs als de wind met de palen en constructies speelt geven ze geen kik of beweging weg.
Aan de andere kant van het armetierig door verbouwingen aangerande stationnetje wuift een treurwilg met lange lianen me in slow motion tegemoet.
Ik wil in haar klimmen en wat zwieren, maar durf het niet.
In het boemeltreintje, wat fungeert als metro tussen Arnhem en de achterhoek, word ik verwelkomt door opengevallen monden en ogen die langstarend knipperend op mijn gestalte blijven hangen waardoor ik me nog verder in mijn namaak zwarte langharige bontkraag wens te laten zakken. Vooral de mannen doen hun best om me schuw met blikken te verslinden. Het liefst willen ze hun geslacht tussen mijn benen porren. De ‘ vrouwtjes’schokken zich met dichtgeknepen monden nog vierkanter op de bank.
Mijn hakken klakken evenlater door het uitgestorven dorp waar een enkele zwakke boze blik mn zwart omkoolde ogen vroom gade slaat.
Mijn werk hangt trots en bruisend aan de muur van de galerie.
Tijdens de geanimeerde gesprekken met enkele bezoekers verlies ik vaak de draad van een gesprek omdat mijn oog naar een mooie lichtval wordt getrokken of klinken de woorden uit de andere monden dubbel alsof ik van een andere planeet kom. Ook de bijzonder getalenteerde Russische kunstenaar kijkt me, met zijn aparte mongoloïde trekken in zijn aardige gezicht, wat verbauwereerd aan als ik zeg ‘dat kunst er is om onze ziel in het midden te houden’.
Dan neigen monden terloops op en neer te gaan zonder klanken.
Ik kan alleen nog zuchten en blij zijn dat mijn wereld een andere is.
Eén waar alles schoon , rauw , zoet, beeldend vol klanken me de hand reikt en ik nimmer meer het gevoel zal hebben alleen te zijn.
SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOEBEHOREN
SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOE BEHOREN.
Ik duw hard tegen de blikken van de mensen die mij niet kennen en me schaduwen toewerpen die mij niet toebehoren.
‘We zijn jaloers op je ongenaakbaarheid’, hoor ik de loslippigen door sijpelen.
Dat ik daar een half leven , een innerlijke strijd en professionele interactie voor moest voeren, dringt zelden tot de dommen door.
Voor die tijd stond ik nog over de randen van ravijnen te koekkeloeren of bedacht mijn hoofd de beste strop in het trapgat.
‘Gooi open die deur!’ krijsten wilde stemmen in mijn hoofd op te snelle autowegen.
Stemmen die ik kon wegduwen omdat ik de chaos en verwarring van de depressie herkende.
Nu ben ik vrij.
Ik heb me geuit en mijn uitingsdriften de hand geschud.
‘Ik laat u nimmer meer los’, glipte nog schalks van mijn tong.
Moest ik daarvoor eerst een zeer donker leven leven?
Het dorp verderop is ook veranderd.
Je ziet nu groepjes van de ietwat meer donker getinde mens staan, die in de laatste jonge mode mee schitteren en blikken proberen te vangen van meiden voor een korte of lange neukbeurt. Bij geluk komt de liefde tevoorschijn.
Ook de depressieve klanken van een Duitse slager – stilstaande hoempapa of zangeressen- met- blikken – massa- namaak-stemmen- zonder- eigen- geluid, zijn naar het verleden gegleden.
Ik hoor waarempel fado of tonen van wereld muziek door de straten van het grijze dorp galmen.
Alleen als de dorpelingen aandoenlijk in verschillende groepjes uren lang keuvelend en knauwend in de winkelstraten staan, hun blikken uit de norse ogen laten vallen en onverstaanbare dialecten hortend en stotend uit de meest onaantrekkelijke kelen naar buiten storten, mij als een filmster nastaren, is de tijd weer terug bij af.
Dat de regering van het zelfde land kort geleden nog opperde dat het menselijke verschijnsel als het groeps-hang- drang- gedrag, een verboden gebied moet worden, slaat als een tang op een varken en vraag me af of deze optie met hoon gelach is ontvangen .
Of worden groepen straks via knuppels met ginnegappende handvaten hard uit elkaar geslagen als je toevallig je oude buren tegenkomt en in het openbaar even knus samenklit?
Is Nederland dan een dictatuur die bang is voor verzamelde tegenstand?
IK BEN EEN RODE VERDWIJNENDE STIP AAN DE HORIZON
IK BEN EEN VERDWIJNENDE RODE STIP AAN DE HORIZON
We drinken verse koffie in een net geopende strand tent.
Vegen het laatste zand tussen kriebelende ledenmaten.
Praten bij, maken afspraken en beloftes.
Tussen door word ik naar je schoot getrokken en turen we licht zoenend , aan je nek hangend, naar de niet meer hoorbare deinende zee.
Ik snuif je geuren diep.
Lik je nek.
Vang door de ramen het snijdende geluid van een zeemeeuw op.
De barman kijkt, glazen poetsend met dichtgeknepen slaap ogen, de nacht nog in zijn voeten voelend, glimlachend naar onze liefkozingen.
Hij geeft een dikke knipoog weg als we beiden gebogen in een stille houding de tent verlaten en ons naar ons eigen afscheid duwen.
De denderende trein trekt je in alle onwaarschijnlijkheid uit mijn verbleekt betraande gezichtsveld.
Ik dwing mezelf met loden schoenen terug te gaan naar mijn opgedroogde opgegeven , eerst gebarsten, daarna uit elkaar gevallen leven.
Alleen mijn werk houdt stand.
De rest is als zand vergleden.
Terug naar iemand die in zijn eigen schaduw leeft, me nimmer iets heeft geleerd en ik telkens tegen sporen blijf stuiteren van de afgepakte identiteiten die de onzichtbare man in de loop der tijd van mij bij elkaar heeft gesprokkeld.
Mijn sporen in zijn kleren, uitspraken en gewoontes die hij weer verliezen zal als ik als een rode stip aan de felle horizon verdwijn en hij verloren in zijn grijze vierkante kleine wereld naarstig naar een andere luisterende borst zoekt en zal vinden.
Hij heeft mij nooit gekend.
De capaciteit daarvoor ontbrak eenvoudig.
Het lot van de schaduw mens.
Mijn ene leven is tijdelijk gestopt.
Geen doek wordt aangeraakt.
Enkel wat krasjes , schetsen en een nieuwe BoeroeboeroeVrouw komen vaag uit mijn handen.
Mijn werkkamer ligt overhoop van de plots ingeslagen ordening en selectiedriften die los zijn gebarsten.
Samen met het verzamelde stof en nog meer kleine restanten begint de berg op een tijdelijke vuilnisbelt te lijken. Maar dan een zonder geuren van voedsel resten of het gekrijs van pikkende meeuwen en wegschietende piepende ratten.
In mijn hart kreunt onze laatste ontmoeting voort.
Ze dendert als een roze stomende schuimpjes locomotief vol rode rozen door mijn ziel waar je vertrekkende, steeds meer vervaagde gezicht voorbij flitst en vang ik je nagalmende laatste lieve woordjes in een doosje, ze met exotisch parfum besprenkel en chronisch op snuif zodat mijn ogen gaan glimmen en mijn huid weer opbloeit na het gloeien tegen de jouwe.
DE KNOESTIGE HOUTEN WOLKERS DOOD
DE KNOESTIGE HOUTEN WOLKERS DOOD
Ze zijn nu haastig de laatste glimpen van de dode kunstenaar Jan Wolkers aan het verzamelen en bij aan het sprokkelen.
Als blauw glimmende snelle brommende vliegen duikt men op je af.
Niet alleen de dood is je aan het eten, ook de mens met al zijn hebbedingen, verzamelwoede en angstbezweringen doen mee om de laatste opgerakelde troffee’s van jou hand en herinnering sussend te kapen.
De storm des doods duurt al dagen tot ook zij luwt en een ieder weer terug zal worden geworpen in zijn eigen sterfelijke vluchtende bestaan.
Je trillende stem verraadde gevoelsmens te zijn.
Ze zal straks zonder echo in de put van de duisternis tussen rozenblaadjes knoestig zonder ooit nog te zuchten, gaan liggen en je dierbaren je langzaam met intense pijn en moeite jou in hun hart verschansen om koesterend en later draaglijk mee te worden genomen in hun eigen eeuwigheid.
Prachtig was de schittering die op je begrafenis ontstond toen bijzondere herinneringen en voorvallen betraande ogen lieten glanzen, wangen deed blossen, hoofden knikten van de dankbare herkenning zodat de dode in deze schone momenten weer naar het leven trok.
Het stoere knoestige onbehandeld hout was in kist vorm om je koude bewegingloze lijf heen getimmerd waarbij de handvaten het liefst van gevonden strandjutters touw hun laatste dienst hadden bewezen.
Ook dat straalde geluk daar een kunstenaar dicht bij zich zelf leeft nadat hij met een kapmes al het verstorende aangeleerde weg heeft geworpen om zijn leven lang naar zich zelf durft toe te kruipen waardoor de gesloten harten van anderen vanzelf geopend kunnen worden.
Meer is het niet.
Meer mag het niet zijn op weg naar de dood die van ons allen is .
Ga nu maar gauw jezelf als stofje tussen de slakken, kikkers, torren, vliegjes en duizenden bijzondere planten en een kwetsbaar roze licht tussen de cirkel van het leven planten.
Ze kennen je stem al.
Ze kennen je geluid.
Daar, voorbij de stilte……..
AAN HET STRAND ZOENT HET RITME VAN DE KOLKENDE ZEE MIJN ORN
AAN HET STRAND ZOENT HET RITME VAN DE ZEE MIJN OREN
Aan het strand zoent het ritme van de kolkende zee mijn oren.
Je hand omklemt de mijne zo , dat het lijkt of ze nooit meer los van elkaar willen.
Af en toe pak ik een vurige glimp van de liefde in je ogen.
Mijn hakken zakken steeds dieper in het losser wordende zand als we naar de schuinere duinkant lopen.
‘Kom , laten we gaan zitten’, fluister ik tussen het gekrijs van de meeuwen in.
Ik schok me half liggend in zijn schoot en turen we , na warme vochtige zoenen, naar de witte schuimkoppen en donkere bootjes die als stipjes aan de horizon geruisloos voorbij glijden.
Je armen houden me stevig vast .
Ik hap naar je nek en wens ik dat we nu dood gaan zodat we voor altijd in dit verstilde moment mogen blijven kleven.
Mijn tong wil de jouwe proeven.
Ik draai me om en ga op je liggen.
Voel je warme huid mn lippen kussen.
Ik wil meer en kronkel .
Trek kleren los.
De duinen doen hun ogen dicht als mn hard geworden tepels je uitdagende mond opvullen en nog meer lustig vocht ons prikkelend lachend achtervolgt.
DE KIP, BLOEDMOOIE VROUW EN DRAAK
KIP, DRAAK EN BLOEDMOOIE VROUW
Op een dag verdwaalde Kip.
Ze kwam in een enorme grote stadstuin met een verscholen landhuis terecht en kon de weg terug niet meer vinden.
De bloedmooie Vrouw en de draakjes van het landhuis vonden het wel aandoenlijk zo’n rode gezellig scharrelende kip in ‘hun midden’.
Ze beval de draakjes onmiddellijk om de kip met rust te laten.
‘Ze is geen speelbal of avondeten!’ knisperde ze fel.
De draakjes bogen hun koppen en schaamden zich voor wat er binnen in hun stormachtige lijven plaats vond.
Ze beloofden plechtig dat ze de kip met rust zouden laten.
Geen haar op hun hoofd die er aan dacht de kip te krenken.
Laat staan op te eten.
De enige die moeite had met het verschijnsel draak, was kip zelf.
Telkens als ze op een flinke afstand een kop van een draak zag, zette ze em op het lopen.
Ze maakte daarbij angstige piepkleine gilletjes.
Nadat dit tafereel zich te vaak in het zicht van Vrouw had voltrokken, besloot ze er iets aan te doen.
Vrouw trommelde de trillende Kip en een van de draken op, zette ze tegenover elkaar aan het ronde tafeltje onder het prieel in de weldadig begroeide tuin.
Ze schonk sterke hete mint thee in de dikke hoge glazen.
Nadat ze gedrieen verwonderd naar de dampen van de thee hadden gekeken en Kip inmiddels was uitgetrild , sprak Vrouw:
‘Kip is bang voor jou, draak…….en daar moet verandering in komen.’
Kip zei niks.
Alleen de neiging tot trillen voelde ze in haar opgezette keeltje kloppen.
Kip kuchtte de angst weg.
Draak fronsde zijn wenkbrauw en zei met een hoog stemmetje:
‘Ik doe niks. Alleen het aanschouwen van mij brengt haar al tot waanzin.’
Draak slikte de brok in zijn keel weg.
Kip, die toch wou deelnemen aan het gesprek, schraapte al haar moed bij elkaar en zei sputterend doch verstaanbaar:
‘Ik ben bang voor het vuur in zijn mond. Voor je het weet ben ik een gebraden kip met knapperige welriekende korstjes!’
Vrouw en draak keken elkaar aan en konden het proesten wat in hun mond naar buiten wenste te ontsnappen nog net binnen houden.
Draak zette zijn meest vriendelijkste stem op, keek lief naar Kip en zei:
‘Ach, lieve Kip, ik spuug alleen maar vuur als ik erg boos ben. En op jou, jij lief klein wezentje zal ik nimmer boos kunnen worden. Je bent veels te klein voor mijn vuurspugende boosheid.’
Kip veranderde van zit en knoopte dit gegeven goed en wel in haar oren.
Nadat alle sporen van angst uit haar ronde lijfje verdwenen, nam ze haar goede voornemens bij de kladden, slurpte een bodempje thee hoorbaar leeg en fladderde even later richting het hoofd van de draak.
De ogen van de draak glunderden en in plaats van Kip ter plekke te barbequen, zette draak zijn grootste glimlach op zijn mond.
Toen Kip met al haar verzamelde moed op draaks kop belandde en daar ponificaal ontspannen bleef zitten, ontspruitte bij Vrouw, draak en Kip weldra een buldering van lachen.
De bulder klonk ver door de stad.
Ook Hoer en Hond hoorden het en wisten toen dat kip veilig was.
DE HOND, DE HOER EN DE KIP
DE HOND, DE HOER EN DE KIP
Kip scharrelt al jaren los.Wat een hok is of ‘op stok’ is , is Kip al jaren vergeten.In de loop der tijd is ze , al graantjes pikkend en zich telkens goed verstoppend voor de hongerige vos , verder gescharreld en in de stad terecht gekomen.
De buurten waar ze meestal terugkeert heeft Kip, als vrije losscharrelende vogel, geaccepteerd.
Dat scheelt.
Kip kan ook vliegen.
Op de een of andere manier is ze ooit ontsnapt aan de knipschaar die haar wilde kortwieken. Hoe dat nou precies in z’n werk is gegaan doet niet meer ter zake.
Kip bezit een rood oranje verenpracht, roze pootjes met zwarte fluwelen pantoffeltjes aan haar klauwtjes en een rood glimmend snaveltje. Haar zwarte glimmende oogjes die midden op haar kippen hoofdje zitten, schieten sterretjes als ze zich goed voelt.
Enfin, Kip kent Hoer en Hond.
Ze ontmoeten elkaar wekelijks tijdens de telkens terug kerende rondes die ze gedrieën allemaal op hun eigen wijze door de verschillende delen van de stad
maken.
De ene keer doorkruisen ze elkaar in het park bij de vijver onder de treurwilg en een andere keer ontmoeten ze elkander op of tussen de straten van het grote plein in het centrum van de lawaaiige stad.
Dit keer was een steegje aan de beurt.
Kip maakt fladder beweginkjes als zij Hond om de hoek ziet slenteren.
Hoer gilt ook iets spetterends de echo-ende ruimte in.
De staart van Hond draait als een propeller in de lucht en perst hij vriendelijk klinkende blafjes uit zijn blijde mond.
Daarna vervolgt het gesprek wat ze tijdens hun laatste ontmoeting achterlieten.
Hoer klaagt:
‘Tegenwoordig heb ik veel ongelijke concurrentie!’
Hond en Kip , die zij aan zij van Hoer lopen, kijken haar met verbazing aan.
‘Ík zie de laatste jaren steeds meer meiden in mijn lokkende lonk kledij lopen.’
‘Die arme beinvloedbare jeugd loopt als makke schaapjes de commercie en de media wereld achterna.’
Kip en Hond schudden hun hoofd.
‘Én dat terwijl het gewoon hier vandaan komt.’
Ze wijst naar de straat en naar de uitgang van het steegje.
‘Dat sommige jeugd in hoeren kleding loopt komt uiteindelijk uit de ghettos.’
‘Weten zij veel!’
Het wordt Kip blijkbaar iets te veel.
Ze sputtert en spattert:
‘En die ouders dan?’
‘Hebben die ouders dan niks te zeggen?’
‘Ách, sommige ouders zijn gewoon schaapachtige, te drukke uitgeputte lamzakken,’ knettert Hoer rap verder.
‘Die vinden het best als hun kids uren naar seksistische MTV programma’s kijken of meedoen aan de commerciele geld verslindende mode hysterie waar deze pubers in groepsverband aan verslaafd zijn.’
‘De commercie heeft mooi op hun kwetsbaarheid gespeculeerd en gewonnen!’
‘Vroeger werd je gediscrimineerd als je een beugeltje droeg……en nu wordt je uitgesloten als je je bilnaad niet laat zien of aan pijpen doet.’
Hond en Kip slikken hun woorden weg en laten hun hoofdjes zakken.
‘Kom!’ , roept Hoer,
‘Niet getreurd!’
‘De wereld verschraald dan wel…ze vergaat niet!’
Ze dribbelt naar voren, trekt haar zwart strakke rok recht, duwt vluchtig haar borsten omhoog en stampt in een goed ritme ,als een volleerd marionette, op de grond .
Hond en Kip volgen haar weldra op dit ritme.
Dat houden ze nog een tijd vol en vallen telkens monden open als de stoet in een langzaam ritme de snelle massa doorkruist………
HOND EN HOER ZONDER KLANT
HOND EN HOER ZONDER KLANT
Ik ben een hond.
Heus, een echte straathond met kronkelend aristocratisch bloed door mijn aderen. Ver weg ben ik gekruisd met een hazewind hond, een bullterrier en een deense dog.
Anyway, in dit leven ben ik een zwarte middelgrote kortharige straathond. Mijn ogen zijn donker en ruikt mijn vacht naar bloemen.
Donkere rode bloemen.
Ik slaap in de stad onder bruggen, in portieken en bij geluk in een schuur van een prettig soort mens.
Vandaag is het koud. Er guurt een snijdende wind door mijn vacht en voel ik mijn pootjes op het asvalt branden. Mijn maag is nog niet gevuld en struin ik al de hele ochtend vuilniszakken af naar voer.
Mijn hinkende poot is weer genezen en heb ik gezworen nimmer meer in dat steegje met die schurftige honden te komen. Tegen dat soort kan zelfs ik niet op.
Ik besluit om richting het plein te lopen. Daar word ik bijna word ik om ver gelopen door Hoer, een vriendin van mij..
Ze heeft net een klant zijn vuil in haar laten storten en loopt ze , schoongewassen en wel met kordate stappen richting het plein. Ze ziet me niet ,valt bijna over me heen zo op de harde keien. Nog net weet ze haar evenwicht te bewaren, laat een gilletje vallen, herkent me en roept mijn naam. Althans de naam die ze me gegeven heeft:
‘He, beessie, hoe is het met jou?’
Ze bukt en klopt op mijn vacht.
Mijn staart kwispelt en voel ik me lekker warm van binnen worden.
Ik schok me nog meer tegen haar benen aan.
‘Ách , lief diertje, lief diertje van me,’ zegt ze met de meest warmste stem van de wereld.
Ze blijft mijn vacht bekloppen en aait zacht over mijn kop.
Dan knielt ze en kroelt ze haar heerlijk geparfumeerde hoofd tegen de mijne.
Mijn tong likt haar wangen en wil ik dat dit moment nooit meer overgaat.
‘Kom, we gaan samen een broodje eten bij de snackbar van Piet op de hoek!’, fluistert dat wereld mens me in mijn oor.
Ze loopt verder.
Ik blijf staan.
‘Kom beessie, kom!’
Ze klapt een paar keer op haar bovenbeen en begrijp ik dat ik mee moet gaan.
Voor de deur van de snackbar zegt ze dat ik moet blijven zitten.
Gedrild als ik ben doe ik dat.
Even later komt ze neurieënd met een bak water en een zak broodjes naar buiten.
Met veel kabaal slurp ik, zodra ik daar oog voor krijg, het verse water naar binnen.
Als ik de geur van de broodjes met kaas en worst, die ze naast de drinkbak heeft gegooid, tot mij neem, ga ik bijna van mijn stokkie, zo intens heerlijk is de beleving.
Ik kijk naar de vorm, besnuffel het en neem voorzichtig een hap.
Daarna ga ik schrokken.
Vooral de worst en kaas piesen als engeltjes op mijn tong.
Ik ben blij dat dit me over komen is vandaag en wil Hoer bedanken voor haar gebaar.
Ze is echter in geen velden of wegen te bekennen.
Zelfs het wegklakken van haar hakken heb ik gemist.
HOER MET KLANT
FICTIE:
Het is vochtig in de etalage waar ik in zit.
Ik zit daar in zwart kanten ondergoed op een hoge kruk.
Mijn lijf houd ik in een atletisch gespannen vorm.
Soms draai ik wat met mijn billen.
Het straal kacheltje wat uit het zicht staat, verlicht de bedomptheid van de ruimte iets.
Het rode lampje boven mij, vergoeilijkt alles.
In het kamertje vlak achter me is een grote vochtplek op het behang te zien.
Zo’n hele donker grijze met zwarte weer stippeltjes.
Ook de waterkraan drupt .
Hoe ik ook aan de kraan duw of trek , ik krijg em niet dicht.
Zelfs niet met een knijptang.
Buiten spettert geruisloos de mot regen pesterig tegen het drukke plein aan.
Een lange dunne man in een vale verkreukelde verbleekte regen jas loopt richting mijn raam.
Hij steekt , als hij in mijn ogen kijkt zijn hand op en maakt een gebaar.
Ik knik en wenk em toe.
Hij knikt terug en loopt wat onhandig met een verstopte glimlach op zijn dunne mond, naar mijn deur.
Nog voor hij aan belt heb ik de deurknop in mijn hand, een korte rode kamerjas over mijn schouders geworpen en zet de deur op een kier.
Hij kijkt me schuw aan.
‘Honderd gulden met kapotje , zonder zoenen’, zeg ik koel.
‘Komt in orde ’ , schraapt zijn schorre stem.
Ik open de deur en wijs em naar de wastafel en de stoel .
‘Daar kun je je broek op leggen en je geval effe wassen.’
Er komt een blos schaam rood op zijn wangen.
Hij mompelt wat over een parkeer probleem en zijn vrouw die droog staat tusen haar benen.
Ik denk:
‘Ach , alweer zo’n prietpraatgrage vreemdganger.’
Voor er nog meer woorden uit zijn mond vallen heb ik de gordijnen met een hoorbaar gebaar gesloten, gooi mn kamerjas op een tafel bij het bed en klap de lakens open.
Dan hoor ik de man zwaar ademen.
Ik draai me om en zie hem vlakbij me staan.
‘Hoeveel kost het als jij boven op me gaat zitten?’ , vraagt ie iets te brutaal.
Hij heeft zijn hand op zijn kruis gelegd en wrijft over de bobbel tussen zijn benen……..
In mijn ogen ontstaat vuur.
Kordaat zeg ik met Amsterdams accent:
‘Nou, daar doen we niet aan meneer! En als dat u niet bevalt dan sodemieter je nu de deur uit!’
De man bind in, draait zich om en trekt langzaam zijn broek uit.
‘Doe je onderbroek ook maar meteen uit’, roep ik em bot toe.
Even later beweegt de man zich als een konijn tussen mijn benen.
Zijn harde piemel doet ook mee aan het spelletje
Hij heeft zijn armen gestrekt en kijkt naar mijn als een plumpudding bewegende borsten die wat uit mijn zwarte bh puilen.
Hij hijgt:
‘Hoeveel wil je hebben als je je bh naar beneden trekt?’
‘Vijftig gulden, meneer’, antwoord ik gelijk.
‘En als je er even aan wil zuigen het dubbele’, rap ik verder.
De man stopt met bewegen, kijkt omhoog en kermt:
‘Ja, goed, doe maar!’
Ik haal mijn ene borst uit mijn kanten kommen bh en bied hem een tepel aan.
Als een baby zuigt hij er aan.
Soms zelfs met een smak.
Ik hoor dat zijn adem sterker wordt en zeg:
‘Nu wil die andere wat!’
En biedt hem mijn wachtende borst aan.
Nog voor hij deze in zijn smachtende mond heeft en door hapt kreunt hij het vocht snel bonkend uit zijn lijf.
‘Vlotte jongen van me’, zeg ik spottend en klop op zijn klamme rug.
Hij wil me zoenen.
Ik duw hem snel van me af.
‘Nee meneer, dat hadden we niet afgesproken!’
Mijn stem klinkt als een kruideniers vrouw die achter de toonbank staat.
De man die net boven mijn lijf zijn vuil in mij porde, is uit mijn gedachten verdwenen nadat de deur met een klap dicht viel en zijn hakken nog even op de straat stenen na klakten.
Toen werd het stil.
Het gekletter van het water in de aluminium douchebak klinkt als muziek in mijn oren.
Ik boen mijn lichaam schoon.
Ont doe alle sporen van mijn huiverende lijf.
Straks trek in de deur dicht en ren naar mijn andere leven.
NOG MEER SCHOFTENSCHEUREN KNABBELEN AAN MIJN MOND
Nog meer schoften scheuren knabbelen venijnig aan mijn mond.
Goh, de machtswellustige hoofdverpleegster van het volkskrant weblokengel heeft zich ook ineens zonder duidelijke opgaaf van reden van het theater spel teruggetrokken.Voor mij gaat ze de virtuele geschiedenis in als zijnde de valste, lompste, lelijkste en domste schijnengel met een verpleegsterschortje aan die geheel geraffineerd, tussen neus en lippen door, bijdragen erbij propte die aan de stigmatisering van de moslims meehielp en ondertussen het dagboek van een internetweblog-verpleegster kaapte. Want je kan, weest nou eens wakker, als je een gewiekste internet friek bent, alle identiteiten aannemen die je maar kan bedenken en de domme schapen volken met hun hypochrondische inslag en uniformen zwaktes, samen met de redactie scoor mentaliteiten, alles en iedereen voor de gek houden.Die Doorengel schreef zoveel en zo liefdeloos; dat kan nooit een echte verpleegster zijn die nimmer sporen van een hart heeft achtergelaten. Alleen botte slijm vlekken en ordinaire taal die achter de woon boulevard wordt bedacht en ingetikt op tientallen pc ‘s als ze de ronden maken om de plee’s te inspecteren op remsporen en lege rollen weg te poetsen onzin.
Ook de vals zingende Jezzangeres a la lellebel toont ander gedrag nadat ze mij de quillotine heeft aangereikt; zij die alleen koude kunst laat zien , het vuur mist en dit vervangt door het ziekelijke ‘ik houd zoveel van jou’ lokspel en structuur.
Mensen die alleen maar aardig gevonden willen worden en zich chronisch laten bespelen door klootzakken van kerels ,daarna lopen te pochen als ze in een rattenwinkel gaan werken, zelf heel hard krijsen als iemand iets onbelangrijks pikt en zelf stiekem constant foto’s van internet afjatten met hun kleffe vingertjes zonder enige achting voor de bronvermelding. Daar moet dan wel een gedrochtig engel mensje achter zitten die zo via de leugenachtige pc aan haar laveloze schijn trekken komt.
Hoogst waarschijnlijk hebben dit soort monsters last van frigide wezel neigingen en dit dan mooi via de ander kunnen projecteren.
Grappig wat een invloed ,de geprojecteerde depressieve destructie van de ander, op mij kan hebben.
Het heeft mij uit een groep gestoten waar ik enige verbondenheid mee toonde en nu doen besluiten dat de muur, die ik toch al om mee heen had gebouwd, nog hoger gaat worden.
Ik heb net de laatste vracht bakstenen uit de kruiwagen gesodemieterd en er stevige klodders cement tussen gepropt zodat er nog meer rijen stenen en prikkeldraad in rollen en glasscherven met scherpe nare harde punten omhoog steken op de telkens hoger groeiende muur.
Wat bruidsluier erover heen laten woekeren en klaar is kees.
Tegelijkertijd heb ik mijn jachtgeweren grondig geinspecteerd, de voorraad munitie gechecked en aangevuld .
Daarna nadrukkelijk mijn drie draakjes aangemoedigd om zich nog meer zorgvuldig en veelvuldig te vermenigvuldigen.
Nou, dat hoefde ik geen tweede keer te zeggen.
Al dagen hoor ik hun gekir, gelach, gespetter en geknetter, gesop van hijgende bonkende feestvierende neukende draakjes om me heen.
Voor je het weet lopen de twee vrouwen draakjes met bolle buikjes en werpen ze straks vol trots hun nieuw geboren babies dankbaar voor mijn juigende voeten.
De dikke houten poort die mij de weg naar de buiten wereld verschaft, bezitten nu blinkende sloten en glimt een dikke laag glanzende verf me glimlachend tegemoet.
De telefoon neem ik al maanden niet meer aan mijn oor en heel heel soms zal ik nog wat op de pc koekeloeren om een glimp van buiten om te vangen en het daar gewoon bij laten.
De room hebben ze immers van me gestolen.
Ze hebben mijn woorden verkracht,omgedraaid, vertrapt, verbrand, dood geknuppeld via ontelbare chronische sluipwegen.
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
Alsof het zo hoorde.
En ondertussen woelde daar de terreur van de macht in het meest schijnheiligste jasje die je maar bedenken kan.
Het jasje van het virtuele waar ik als een van de weinige wel eens mijn excuses aan bood als ik de ander niet had begrepen of te snel woorden uit mijn rode mond liet vallen.
Als iets onbeschaafd, onbeschaamd schofterig is geweest was het wel het volkskrantweblog en zijn onmenselijke structuur.
Dat daar soms mensen achter zitten en woorden typen verbaasd me altijd.
Soms voelen ze immers aan als beulen.
-
Recente
- VOORGOED VERTROKKEN
- DIGITAAL ARTIKEL OVER MIJN WERK
- WHERE IS MY BABY?????
- OR DO YOU RATHER WANT A GLIMP OF MY ART WORK?
- 43 SMALL FREE STORIES FROM HEKEL MY ALTER-EGO
- BOEROEBOEROEVROUW 26
- VERDORDE LIPPEN DIE HET LIEFST HUN GESLACHT IN MIJ WILLEN PORREN
- MAXIMA, DE DOMME MENING EN DE INTELLIGENTE MENING
- SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOEBEHOREN « Isisnedloni’s Weblog
- SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOEBEHOREN
- IK BEN EEN RODE VERDWIJNENDE STIP AAN DE HORIZON
- DE KNOESTIGE HOUTEN WOLKERS DOOD
-
Links
-
Archief
- april 2009 (1)
- november 2007 (4)
- oktober 2007 (27)
- september 2007 (24)
- augustus 2007 (29)
-
Categorieën
-
RSS
Berichten RSS
RSS met reacties