VERDORDE LIPPEN DIE HET LIEFST HUN GESLACHT IN MIJ WILLEN PORREN
De heimwee naar mijn veels te verre liefje is soms zo erg dat mijn lippen dreigen met verdorren , zich als knisperend knappend rood herfstblad op de grond werpen en meedogenloos zonder echo worden meegenomen onder de zolen van argeloze voorbijgangers .
Als ik onwennig de guurte van de herfst opsnuif, weer voor het eerst in een winterjas , op het station sta , de standbeelden van de wachtende mens aanschouw, irritante mobiele privé gesprekken aanhoor , ik wat verloren de rails aftuur, hoop ik dat je aan komt lopen.
Ik wil jou zien daar aan het eind van de rails.
Eerst als stip in de verre verte die telkens groter wordt , tot ik de contouren van je lichaam herken en zonder twijfel mezelf op de rails zal storten , je tegemoet ren.
Je zwaait en zijn je armen gespreid om me op te vangen.
Maar ik zie geen stip, geen gezwaai of vangende armen.
Het ritme van de rails en haar keurig recht gespannen draden zwijgen als het graf.
Ik maak wat foto’s van composities in gescheurde stoeptegels en dikke knokigge verbindingen van bouten en moeren die moedig al het ijzer bijelkaar en omhoog houden. Zelfs als de wind met de palen en constructies speelt geven ze geen kik of beweging weg.
Aan de andere kant van het armetierig door verbouwingen aangerande stationnetje wuift een treurwilg met lange lianen me in slow motion tegemoet.
Ik wil in haar klimmen en wat zwieren, maar durf het niet.
In het boemeltreintje, wat fungeert als metro tussen Arnhem en de achterhoek, word ik verwelkomt door opengevallen monden en ogen die langstarend knipperend op mijn gestalte blijven hangen waardoor ik me nog verder in mijn namaak zwarte langharige bontkraag wens te laten zakken. Vooral de mannen doen hun best om me schuw met blikken te verslinden. Het liefst willen ze hun geslacht tussen mijn benen porren. De ‘ vrouwtjes’schokken zich met dichtgeknepen monden nog vierkanter op de bank.
Mijn hakken klakken evenlater door het uitgestorven dorp waar een enkele zwakke boze blik mn zwart omkoolde ogen vroom gade slaat.
Mijn werk hangt trots en bruisend aan de muur van de galerie.
Tijdens de geanimeerde gesprekken met enkele bezoekers verlies ik vaak de draad van een gesprek omdat mijn oog naar een mooie lichtval wordt getrokken of klinken de woorden uit de andere monden dubbel alsof ik van een andere planeet kom. Ook de bijzonder getalenteerde Russische kunstenaar kijkt me, met zijn aparte mongoloïde trekken in zijn aardige gezicht, wat verbauwereerd aan als ik zeg ‘dat kunst er is om onze ziel in het midden te houden’.
Dan neigen monden terloops op en neer te gaan zonder klanken.
Ik kan alleen nog zuchten en blij zijn dat mijn wereld een andere is.
Eén waar alles schoon , rauw , zoet, beeldend vol klanken me de hand reikt en ik nimmer meer het gevoel zal hebben alleen te zijn.
MAXIMA, DE DOMME MENING EN DE INTELLIGENTE MENING
DE DOMME MENING, DE INTELLIGENTE MENING EN PRINSES MAXIMA.
Prinses Maxima heeft een intelligente mening in het hoenderhok gegooid.
Ze beweerde dat een bepaalde Nederlandse identiteit niet bestond.
Daar heeft ze ook gelijk in. Er bestaan wel duizend verschillende, als het er geen miljoenen zijn, Nederlandse identiteiten.
Dat is een normaal gegeven voor mensen die kunnen nadenken.
Mensen die niet kunnen nadenken en op dat gebied een wat achterlijke mening vertolken zijn erg gebolcht over de uitspraak van Maxima.
Ze gooien hun domme mening nu voor de intelligente mening.
Dat is niet zo erg. Normaal gesproken wint de intelligentie het van de minder intelligente opvatting. Daar is immers onze hele beschaving op gestoeld.
Wat wel erg is, is dat staatsrechtsdeskundigen, zich er nu op een domme manier mee gaan bemoeien.
Men heeft het over ‘dat iets uit de hand kan lopen’ als het koninklijke huis met nog meer intelligente opmerkingen gaat lopen gooien.
Zij denken dat alle mensen vanuit hun woonboulevards en tv pretparken relletjes gaan lopen schoppen en volksopstanden uit gaan breken als het koninklijk huis de vrijheid behoud die ze nu heeft.
Ik vind dat een hysterische achterhaalde angstige visie.
Het volk gaat helemaal geen keet schoppen.
Het volk houdt gewoon zijn brutale snuit en gaat naarstig nieuwe dingen aanleren over antropologie, sociologie en de vorming van identiteiten.
Daarna mogen ze hun mond weer opentrekken.
Ook de angsthazen van het protocol/staatsrechtdeskundigen moeten eens vervangen worden door intelligentere flexibelere mensen.
Dat vastgeroeste moet weg.
Want als het koningshuis wordt terug gefloten, dan wint de domheid het van de intelligentie.
En dat is volgens mijn intelligente visie niet de bedoeling van de domheid.
Die mogen nimmer winnen…die mogen alleen maar bijleren…en zich gelukkig wanen dat er uberhaubt moeite wordt gedaan dat ze bijles krijgen.
In Nederland zou het recht op meer intelligentie eens voorgoed tot de gemeenschapszin moeten gaan behoren ipv te gaan luisteren naar mensen die niet eens de definitie van het begrip identiteit kennen.
Ieder beschaafd mens behoort toch te weten dat identiteiten, zoals Maxima het bedoelde, niet bestaan.
Als je ze terug fluit en ze weer in een belachelijke gouden kooi stopt, dan stop je daarmee ook het beschavings proces.
Dat proces is immers altijd aan verandering onderhevig en nimmer aan terug gang.
SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOEBEHOREN
SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOE BEHOREN.
Ik duw hard tegen de blikken van de mensen die mij niet kennen en me schaduwen toewerpen die mij niet toebehoren.
‘We zijn jaloers op je ongenaakbaarheid’, hoor ik de loslippigen door sijpelen.
Dat ik daar een half leven , een innerlijke strijd en professionele interactie voor moest voeren, dringt zelden tot de dommen door.
Voor die tijd stond ik nog over de randen van ravijnen te koekkeloeren of bedacht mijn hoofd de beste strop in het trapgat.
‘Gooi open die deur!’ krijsten wilde stemmen in mijn hoofd op te snelle autowegen.
Stemmen die ik kon wegduwen omdat ik de chaos en verwarring van de depressie herkende.
Nu ben ik vrij.
Ik heb me geuit en mijn uitingsdriften de hand geschud.
‘Ik laat u nimmer meer los’, glipte nog schalks van mijn tong.
Moest ik daarvoor eerst een zeer donker leven leven?
Het dorp verderop is ook veranderd.
Je ziet nu groepjes van de ietwat meer donker getinde mens staan, die in de laatste jonge mode mee schitteren en blikken proberen te vangen van meiden voor een korte of lange neukbeurt. Bij geluk komt de liefde tevoorschijn.
Ook de depressieve klanken van een Duitse slager – stilstaande hoempapa of zangeressen- met- blikken – massa- namaak-stemmen- zonder- eigen- geluid, zijn naar het verleden gegleden.
Ik hoor waarempel fado of tonen van wereld muziek door de straten van het grijze dorp galmen.
Alleen als de dorpelingen aandoenlijk in verschillende groepjes uren lang keuvelend en knauwend in de winkelstraten staan, hun blikken uit de norse ogen laten vallen en onverstaanbare dialecten hortend en stotend uit de meest onaantrekkelijke kelen naar buiten storten, mij als een filmster nastaren, is de tijd weer terug bij af.
Dat de regering van het zelfde land kort geleden nog opperde dat het menselijke verschijnsel als het groeps-hang- drang- gedrag, een verboden gebied moet worden, slaat als een tang op een varken en vraag me af of deze optie met hoon gelach is ontvangen .
Of worden groepen straks via knuppels met ginnegappende handvaten hard uit elkaar geslagen als je toevallig je oude buren tegenkomt en in het openbaar even knus samenklit?
Is Nederland dan een dictatuur die bang is voor verzamelde tegenstand?
IK BEN EEN RODE VERDWIJNENDE STIP AAN DE HORIZON
IK BEN EEN VERDWIJNENDE RODE STIP AAN DE HORIZON
We drinken verse koffie in een net geopende strand tent.
Vegen het laatste zand tussen kriebelende ledenmaten.
Praten bij, maken afspraken en beloftes.
Tussen door word ik naar je schoot getrokken en turen we licht zoenend , aan je nek hangend, naar de niet meer hoorbare deinende zee.
Ik snuif je geuren diep.
Lik je nek.
Vang door de ramen het snijdende geluid van een zeemeeuw op.
De barman kijkt, glazen poetsend met dichtgeknepen slaap ogen, de nacht nog in zijn voeten voelend, glimlachend naar onze liefkozingen.
Hij geeft een dikke knipoog weg als we beiden gebogen in een stille houding de tent verlaten en ons naar ons eigen afscheid duwen.
De denderende trein trekt je in alle onwaarschijnlijkheid uit mijn verbleekt betraande gezichtsveld.
Ik dwing mezelf met loden schoenen terug te gaan naar mijn opgedroogde opgegeven , eerst gebarsten, daarna uit elkaar gevallen leven.
Alleen mijn werk houdt stand.
De rest is als zand vergleden.
Terug naar iemand die in zijn eigen schaduw leeft, me nimmer iets heeft geleerd en ik telkens tegen sporen blijf stuiteren van de afgepakte identiteiten die de onzichtbare man in de loop der tijd van mij bij elkaar heeft gesprokkeld.
Mijn sporen in zijn kleren, uitspraken en gewoontes die hij weer verliezen zal als ik als een rode stip aan de felle horizon verdwijn en hij verloren in zijn grijze vierkante kleine wereld naarstig naar een andere luisterende borst zoekt en zal vinden.
Hij heeft mij nooit gekend.
De capaciteit daarvoor ontbrak eenvoudig.
Het lot van de schaduw mens.
Mijn ene leven is tijdelijk gestopt.
Geen doek wordt aangeraakt.
Enkel wat krasjes , schetsen en een nieuwe BoeroeboeroeVrouw komen vaag uit mijn handen.
Mijn werkkamer ligt overhoop van de plots ingeslagen ordening en selectiedriften die los zijn gebarsten.
Samen met het verzamelde stof en nog meer kleine restanten begint de berg op een tijdelijke vuilnisbelt te lijken. Maar dan een zonder geuren van voedsel resten of het gekrijs van pikkende meeuwen en wegschietende piepende ratten.
In mijn hart kreunt onze laatste ontmoeting voort.
Ze dendert als een roze stomende schuimpjes locomotief vol rode rozen door mijn ziel waar je vertrekkende, steeds meer vervaagde gezicht voorbij flitst en vang ik je nagalmende laatste lieve woordjes in een doosje, ze met exotisch parfum besprenkel en chronisch op snuif zodat mijn ogen gaan glimmen en mijn huid weer opbloeit na het gloeien tegen de jouwe.
DE KNOESTIGE HOUTEN WOLKERS DOOD
DE KNOESTIGE HOUTEN WOLKERS DOOD
Ze zijn nu haastig de laatste glimpen van de dode kunstenaar Jan Wolkers aan het verzamelen en bij aan het sprokkelen.
Als blauw glimmende snelle brommende vliegen duikt men op je af.
Niet alleen de dood is je aan het eten, ook de mens met al zijn hebbedingen, verzamelwoede en angstbezweringen doen mee om de laatste opgerakelde troffee’s van jou hand en herinnering sussend te kapen.
De storm des doods duurt al dagen tot ook zij luwt en een ieder weer terug zal worden geworpen in zijn eigen sterfelijke vluchtende bestaan.
Je trillende stem verraadde gevoelsmens te zijn.
Ze zal straks zonder echo in de put van de duisternis tussen rozenblaadjes knoestig zonder ooit nog te zuchten, gaan liggen en je dierbaren je langzaam met intense pijn en moeite jou in hun hart verschansen om koesterend en later draaglijk mee te worden genomen in hun eigen eeuwigheid.
Prachtig was de schittering die op je begrafenis ontstond toen bijzondere herinneringen en voorvallen betraande ogen lieten glanzen, wangen deed blossen, hoofden knikten van de dankbare herkenning zodat de dode in deze schone momenten weer naar het leven trok.
Het stoere knoestige onbehandeld hout was in kist vorm om je koude bewegingloze lijf heen getimmerd waarbij de handvaten het liefst van gevonden strandjutters touw hun laatste dienst hadden bewezen.
Ook dat straalde geluk daar een kunstenaar dicht bij zich zelf leeft nadat hij met een kapmes al het verstorende aangeleerde weg heeft geworpen om zijn leven lang naar zich zelf durft toe te kruipen waardoor de gesloten harten van anderen vanzelf geopend kunnen worden.
Meer is het niet.
Meer mag het niet zijn op weg naar de dood die van ons allen is .
Ga nu maar gauw jezelf als stofje tussen de slakken, kikkers, torren, vliegjes en duizenden bijzondere planten en een kwetsbaar roze licht tussen de cirkel van het leven planten.
Ze kennen je stem al.
Ze kennen je geluid.
Daar, voorbij de stilte……..
DE BRANDENDE ZEE OP LUSTEN BETRAPPEN
DE BRANDENDE ZEE OP LUSTEN BETRAPPEN
Lang geleden lag ik een keer aan de zee 800 kilometer verderop toen mijn huis vlam vatte en mijn lieve boekenkast en wat meubulair smolt.
Jaren later smolt ik op een andere plek aan de Nederlandse kust:
Op een ander strand pak je me beet waar een hete kronkelende bronstige wereld het van me overneemt en ik je met huid en haar wens te verslinden.
‘Kom dan’,
‘Kom dan’,
roepen mijn vooruit getuitte lippen die zich opgezwollen aan je willen zuigen en alleen nog warme lekkende glimmende slijm sporen sissend kunnen achter laten.
Ik ruk knopen los en storten we, zacht ploffend, in het zachte duinzand.
Ik wil dat het stoom van je huid de mijne raakt.
Binnen in barsten kreetjes los , die zich in het heet geworden perziken vlees tussen mijn benen verzamelen.
Ze willen meer.
Ze willen meer.
Staan op knappen als de druk van een stoomketel met stroop en kolkende bubbels verse lava stroom.
Je brede nek ligt voor het grijpen en zuig ik me vast.
Je bromt en kreunt lieve dingen, verwelkomt mijn kronkelende lijf met beide handen die mijn heupen stevig omarmen en wat wiegen.
Steeds sneller op en neer.
Handen glijden zwoel knijpend langs mijn tepels , borsten, billen, buik, tot mijn op en neer gaande perzikenvlees ze in haar vocht gevangen zet en je handen opgewonden mijn lusten knopje in stevig ritme beweegt.
Ze willen meer.
Ze willen meer.
Je zuigt mijn tepels harder stijver groter, net zoals je hete mannenvlees die zich smachtend met natte hete slurpende stoten lieflijk in mij wroet en onze lijven losgebarsten in een honing schurend glijdend hijgend landschap brengt waar ratelslangen tongen en opgezette delen in een universum van hitte smeltend uit elkaar spat en liefde zijn blinkende woest hijgende schoonheid knetterend laat zien.
Als we even later aan elkaar klevend langs het blozende fluisterende strand slenteren , breed glimlachend knopen dichtend, aan broeken sjorrend, zoekt en vind mijn mond steeds de jouwe.
IN MIJN FAMILIE HUIST EEN MOORDENAAR

In mijn familie huist een moordenaar.Nou, eigenlijk twee.
Mijn voor, voor, voor, voor opa kwam eind 1700 uit een Zwitsers gezin met vier broers naar Nederland.
Eeuwen later werden daar, via één van die broers, twee moordenaars gebakken.
Ja, gebakken!
Want denk maar niet dat de meeste mensen als moordenaar geboren worden.
Dat is zo gegroeid.
Die achter familie was een beschaafd rijk nest. Ze bezaten grote landhuizen en een inmiddels, tot multinationaal uitgegroeide verzekeringsmaatschappij.
De vader van het gezin werkte hard en was de moeder een liefde volle wat slaafs aangepaste dame die er altijd op en top verzorgd uit zag en dienend op de achtergrond van haar man een leven leed.
Dat was normaal in die tijd.
Men wist niet beter.
Enfin, dit hard werkende in Baarn wonende elite gezin kreeg vier kinderen.
De maatschappij met zijn streberige ongeemancipeerde en kindonvriendelijke normen slokte het gezin op.
Aan de buitenkant leek alles rozengeur en manenschijn terwijl er onder het vers gemaaide groene gras adders broeiden die er op een dag uitkwamen.
Het noodlot sloeg toe.
De moeder stierf plotseling en werden de puberkinderen door verschillende ‘kindermeisjes’ samen met het niet kunnen verwerken van de dood , langzaam aan hun lot overgelaten.
Aan materie ontbrak het niet.
Aan emotie wel.
Daar zijn ze toch al wat schaars in bij sommige familie leden waarbij de ratio en het uiterlijke vertoon vooral het hoogtij viert.
De vader trouwde kort daarop met een huishoudster met een warme inborst. Maar ze kon geen vat krijgen op de jongens.
Alles was te veel in de tijd gepropt.
Alles ging te snel.
Op een dag kwam er een van huis weggelopen vriendje om hulp aan kloppen.
Nou, dat wilden de losgeslagen beschaafde jongens wel.
De wereld was toch al zo boos en verstopten ze solidair hun vriendje in een torentje van het landhuis waar zich een bovenkamer bevond.
Ze brachten de weggelopen jongen eten en gingen ook snachts met zn drieen op pad om kattekwaad uit te halen. Daar behoorde het stelen van bromfietsen ook bij.
Na een paar dagen was de weggelopen jongen ontevreden geworden.
Hij eiste meer (wat weet ik niet) en begon hij de doorgeslagen jongens te chanteren.
Zo van ‘Als je dit niet doet, dan zeg ik het van dat stelen van die bromfietsen.’
Op een dag werd het een van de jongens te veel.
Hij werd bang en besloot de chanterende jongen voorgoed te verstoppen.
De andere jongen deed met zijn oudere meer dominantere broer mee.
Met een touw hebben ze de jongen gestikt en stiekem in de beerput van de boerderij op het landgoed ondergedompelt.
Twee jaar later heeft de boer de beerput schoongemaakt en ontdekte daar de restanten van iets menselijks.
Toen ging de bal rollen.
De recherche, die bevriend was met de familie, kwam, nadat het overzicht helder was , die avond een borrel drinken bij de vader, legde het delict bloot en werden de jongens de volgende ochtend in alle stilte gearresteerd.
Een schijnt er nog ontsnapt te zijn en vier dagen later bij de kladden genomen te zijn.
Door deze gang van zaken ontstond een schrijnend voorbeeld van klasse justitie.
De pers en de menigte waren woedend.
Wat er van ze , na de gevangenisstraf , terecht is gekomen weet ik niet.
Er gaan geruchten rond dat de een advocaat is geworden en zich in Australie heeft terug getrokken.
De ander heb ik nog wel eens op een familie reunie brallend en met een drank muil op een afstand een seconde gade geslagen.
En dacht ik wel even:
‘Daar staat nu wel de echte moordenaar.’
In zijn stem sist de angst samen gebundeld met de agressie nog na………
In het genealogische familieboek met verhalen en afstamgegevens staat ook angstig dit noodlot niet vermeld.
Wat moeten de mensen wel niet denken.
En dat terwijl , het een tragisch gegeven is waarbij nog steeds in de hoofden van velen het overzicht totaal ontbreekt.
Dat is jammer.
De maatschappij , de mensen zouden er iets van kunnen leren………..
Op de foto een van de jongens tijdens de lucht pauze en een bericht uit
‘Ons lieve leven.’
100 jaar Nederlandse krantenfoto’s
ISBN 90 204 375 26
AAN HET STRAND ZOENT HET RITME VAN DE KOLKENDE ZEE MIJN ORN
AAN HET STRAND ZOENT HET RITME VAN DE ZEE MIJN OREN
Aan het strand zoent het ritme van de kolkende zee mijn oren.
Je hand omklemt de mijne zo , dat het lijkt of ze nooit meer los van elkaar willen.
Af en toe pak ik een vurige glimp van de liefde in je ogen.
Mijn hakken zakken steeds dieper in het losser wordende zand als we naar de schuinere duinkant lopen.
‘Kom , laten we gaan zitten’, fluister ik tussen het gekrijs van de meeuwen in.
Ik schok me half liggend in zijn schoot en turen we , na warme vochtige zoenen, naar de witte schuimkoppen en donkere bootjes die als stipjes aan de horizon geruisloos voorbij glijden.
Je armen houden me stevig vast .
Ik hap naar je nek en wens ik dat we nu dood gaan zodat we voor altijd in dit verstilde moment mogen blijven kleven.
Mijn tong wil de jouwe proeven.
Ik draai me om en ga op je liggen.
Voel je warme huid mn lippen kussen.
Ik wil meer en kronkel .
Trek kleren los.
De duinen doen hun ogen dicht als mn hard geworden tepels je uitdagende mond opvullen en nog meer lustig vocht ons prikkelend lachend achtervolgt.
-
Recente
- VOORGOED VERTROKKEN
- DIGITAAL ARTIKEL OVER MIJN WERK
- WHERE IS MY BABY?????
- OR DO YOU RATHER WANT A GLIMP OF MY ART WORK?
- 43 SMALL FREE STORIES FROM HEKEL MY ALTER-EGO
- BOEROEBOEROEVROUW 26
- VERDORDE LIPPEN DIE HET LIEFST HUN GESLACHT IN MIJ WILLEN PORREN
- MAXIMA, DE DOMME MENING EN DE INTELLIGENTE MENING
- SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOEBEHOREN « Isisnedloni’s Weblog
- SCHADUWEN DIE MIJ NIET TOEBEHOREN
- IK BEN EEN RODE VERDWIJNENDE STIP AAN DE HORIZON
- DE KNOESTIGE HOUTEN WOLKERS DOOD
-
Links
-
Archief
- april 2009 (1)
- november 2007 (4)
- oktober 2007 (27)
- september 2007 (24)
- augustus 2007 (29)
-
Categorieën
-
RSS
Berichten RSS
RSS met reacties
